De schilderkunst van Frits Klein is
een zo puur en helder lied en ver van alle zwaarwichtige
bedoelingen en handelingen zo harmonisch in zichzelf
vervuld, dat hart en intuïtie zich daar direct op hun plaats
en zeker weten, en toch is zij tegelijk zo onvatbaar, voor
wie haar binnen de huidige kunst "een plaats" wil geven, dat
het classificerend verstand maar al te gauw in verwarring
raakt.
Het is het pijnlijk tekort en vaak
het onrecht van ons altijd weer in vertrouwde
onderscheidingen houvast zoekend bewustzijn tegenover
persoonlijkheden, die met een zacht geweld en een stille
onverzettelijkheid hun eigen weg gaan en toch daarin midden
tussen ons volledig tot deze tijd behoren. Achteraf, wanneer
het perspectief van een al te tijdelijke "actualiteit" zijn
betekenis heeft verloren, wellicht wel des te duidelijker.
Klein is één van hen. Hij heeft zonder tot één richting te
behoren, het spectrum van onze tijd op zijn eigen wijze
gevangen, gebundeld en doorgegeven en wist daarbij tot de
zeventigjarige die hij nu is geïnspireerd, levend en jong te
blijven.
Want waar zouden wij hem plaatsen?
Dat hij als beginnend schilder in Parijs, in die historische
jaren direct na de eerste wereldoorlog het legendarische
huis aan de Rue du Départ met Mondriaan deelde, mag
oppervlakkig bezien bijna ongeloofwaardig schijnen, zo
weinig weerspiegelt zijn werk diens rigoureus radicalisme en
picturaal ascetendom, het ernstige en rechtlijnige uitzicht
van een kunstenaar, die zich een profeet van een nieuwe
wereld weet.
Het geldt niet minder voor de
vormproblemen van de kubisten, die tot zijn Parijs van die
jaren behoorden,of voor het luidruchtig geweld als van
blaasorkesten, waarmee Franse Fauves en Duitse
expressionisten aan de "expressiviteit" van kleur, vorm en
lijn een eigen beperkte inhoud gaven. Want in feite is het
mediterrane "luxe, calme et Volupte" bij de na-fauvistische
Matisse of Dufy niet minder expressief, alleen voor andere,
minder dramatische of gekwelde domeinen van ons bestaan,
dezelfde waar ook Frits Klein thuis is. En is het woord
droom vaak bij zijn werk gevallen, dan rekent men hem toch
nooit bij de surrealisten, met hun bewust revolutionaire en
schokkende stormloop tegen de gevestigde orde van rede en
verstand. Zelfs de soms gesignaleerde verwantschap met
postimpressionisten en intimisten zoals Vuillard en Bonnaard
berust op nauwelijks meer dan enkele uiterlijke
overeenkomsten.
Misschien heeft, bij alle
verschillen, de vergelijking met Chagall, ondanks alle faam
een buitenstaander als hij, meer zin. Want zoals de kleine
Joodse schilder uit Witebsk naar Parijs kwam, alles in zich
opnam van Fauves tot Kubisten, maar consequent weigerde zijn
"verhaal" op te offeren aan een kunst van uitsluitend
vormproblemen, om tot de grote dichter van de beeldende
metafoor te worden, zo weigerde ook Frits Klein de
mededeling, de "evocatie" los te laten ten bate van een puur
formele problematiek. En zoals Chagall daartoe de rijke
Chassidische wereld van zijn jeugd mee naar Parijs nam, zo
nam Frits Klein iets mee uit zijn oosterse, Javaanse
herkomst, ook al verliet hij zijn geboorteland al als jongen
van zes jaar om zijn verdere jeugd tot zijn meerderjarigheid
in Nederland door te brengen.
Wat Nederland aan sporen achterliet is
gezien de aard van zijn werk waarschijnlijk gering. Maar wat
wij aan oosterse kenmerken in Klein's schilderkunst menen
terug te vinden is onder meer een lineaire melodieusheid,
die door westerse ogen vaak ten onrechte als louter
"decoratief" en "zoet" wordt ondergaan maar die samen met
een sterk doorgevoerde onstoffelijkheid in de schilderwijze
juist zeer sterk expressief drager van een erotisch geladen
sensualisme kan zijn: een erotische cultuur voorbij de breuk
tussen lichaam en geest, waaraan dit westen nog steeds
lijdt, tot in de meest nadrukkelijke sex-adoratie.
Klein's paradijselijke lyriek
tussen zoveel kunst van opstand, disharmonie en gekweldheid
is de vereniging van het colorisme van deze eeuw en van
Parijs met een levensgevoel, dat uit het Oosten stamt. Maar
ook wie met ogen, geschoold aan het non-figuratieve van
abstracte lyriek tot tachisme, Klein's belangrijkste
schilderijen zoals Bloemenwinkel en Jardin du Luxembourg
benadert, ondergaat de verrukking van een grote kwaliteit,
louter om de sublieme waarden van een colorisme, dat de
volledigheid van een klankrijke compositorische eenheid weet
te bereiken met de middelen van een opperste lichtheid, open
en transparant. Zijn schilderkunst is er een, waaruit alle
zwaarte, moeizaamheid en nadrukkelijke orde is weggespeeld
ter wille van een onstoffelijke, vibrerende relatie tussen
de elementen en détails, ook in de allerkleinste, en het
geheel.
Toch is dit, wat naar menige maatstaf
van vandaag genoeg zou zijn, bij Klein niet meer dan de
uiterlijke gestalte, de zichtbare kwaliteit van een "taal" ,
die zoals de dichter doet maar met de puur beeldende
middelen van een schilder en colorist ( ook zijn pastels en
litho's zetten dit voort) in symbolische vormen leven op ons
overdraagt, in een osmose van binnen en buiten, zo dat
daarin het menselijk dualisme van een "stoffelijke
buitenwereld van objecten" en een "onstoffelijke
binnenwereld van betekenissen" is overwonnen. Bij alle
abstracte kwaliteiten zijn daarom de motieven, klein in
aantal en telkens weer hernomen, meer dan de uiterlijke
aanleidingen tot een goed schilderij. In heel hun ijle,
immateriële verschijningsvorm - vaak nauwelijks meer dan een
contour, opgenomen in de vibrerende compositie en zelden
lijfelijk gemodelleerd - zijn zij van circuspaard tot
doghond en van koorddanseres en clown tot vrouwen aan het
strand of in de Jardin du Luxembourg dragers van het leven,
van verlangen, drift, onrust, begeerte, wellust en droom.
Men heeft te uitsluitend van het
paradijselijke gesproken. Want de grote honden, die vaag
verlangende vrouwen op zonnige stranden begeleiden, zijn
bijna dreigende personificaties van een zeer viriele
natuurkracht en lopen toch keurig aan een halsband.
Een zelfde dubbelzinnige onderhuidse
relatie verbindt ook bereden circuspaard en amazone, geen
verhouding tussen dier en mens maar tussen mens en mens, als
was het onderscheid opgeheven en tot de interne geworden van
het mens-dier dat wij zijn, in heel de onoplosbare onrust,
die zich bij Klein heel vaak, op een wijze die wij oosters
meenden te mogen noemen, tot een zoet verlangen, een
dierbare weemoed verfijnt. Bijna een idylle, maar met de
trieste ondertoon die de mens juist in het geluk nooit
verlaat.
"Je kleuren zijn verrukkelijk
onreëel. Je ziet onze Jardin du Luxembourg in rijke roden en
smaragdgroene, je ziet de hemelen vol rijke violetten,
turquoisen en robijnen. Je parelmoeren zeeën, omhuld van
sfeer, bleven onder zwoele koepels van wolkenloze hemelen
vóór vochtige rose en gele stranden", zo schreef die andere
Hollandse Parijzenaar Conrad Kickert hem nog in 1958. En ook
George Boudaille huldigde zijn oeuvre enkele jaren later als
een "voortdurende hymne aan de vreugde".
Het is op zichzelf al niet gering en
met de moed van wie uit innerlijke bestemming niet anders
kan, tegen alles in en zo koppig als een Mondriaan zo zijn
eigen weg te gaan als de schilder van de vreugde en van het
verlangen naar het paradijselijke harmonie van wellustig
behagen, waarin mens en dier tezamen wonen in de koestering
van een nimmer eindigende zuidelijke zomer. Tegen alles in?
Maar waar kan Yves Klein - deze veel te vroeg gestorven
beroemde zoon, dit gelukskind, bij zijn leven, van het
"creatieve gebaar" - het Klein-blauw hebben gezien, waarmee
hij de wereld aan zijn jonge voeten kreeg, anders dan op de
schilderijen van zijn vader? Frits Klein is door blijven
schilderen aan de volmaaktheid van zijn blauwe droom, ver
van de wereld van het gebaar, nog steeds op een bescheiden
atelier.
Het is een daad van eenvoudige
rechtvaardigheid, dat juist de Rijksacademie van Beeldende
Kunsten deze zuivere, zich nergens afficiërende kunstnaar
bij zijn zeventigste verjaardag met een breder overzicht aan
ons land laat zien, dat ten slotte ook zijn land en dat van
zijn vele vrienden is. |