Frits Klein 70 jaar

klein70-2

 

VOORWOORD

 
Inleidende tekstbijdrage van Hans Redeker

 

De schilderkunst van Frits Klein is een zo puur en helder lied en ver van alle zwaarwichtige bedoelingen en handelingen zo harmonisch in zichzelf vervuld, dat hart en intuïtie zich daar direct op hun plaats en zeker weten, en toch is zij tegelijk zo onvatbaar, voor wie haar binnen de huidige kunst "een plaats" wil geven, dat het classificerend verstand maar al te gauw in verwarring raakt.

Het is het pijnlijk tekort en vaak het onrecht van ons altijd weer in vertrouwde onderscheidingen houvast zoekend bewustzijn tegenover persoonlijkheden, die met een zacht geweld en een stille onverzettelijkheid hun eigen weg gaan en toch daarin midden tussen ons volledig tot deze tijd behoren. Achteraf, wanneer het perspectief van een al te tijdelijke "actualiteit" zijn betekenis heeft verloren, wellicht wel des te duidelijker. Klein is één van hen. Hij heeft zonder tot één richting te behoren, het spectrum van onze tijd op zijn eigen wijze gevangen, gebundeld en doorgegeven en wist daarbij tot de zeventigjarige die hij nu is geïnspireerd, levend en jong te blijven.

Want waar zouden wij hem plaatsen? Dat hij als beginnend schilder in Parijs, in die historische jaren direct na de eerste wereldoorlog het legendarische huis aan de Rue du Départ met Mondriaan deelde, mag oppervlakkig bezien bijna ongeloofwaardig schijnen, zo weinig weerspiegelt zijn werk diens rigoureus radicalisme en picturaal ascetendom, het ernstige en rechtlijnige uitzicht van een kunstenaar, die zich een profeet van een nieuwe wereld weet.

Het geldt niet minder voor de vormproblemen van de kubisten, die tot zijn Parijs van die jaren behoorden,of voor het luidruchtig geweld als van blaasorkesten, waarmee Franse Fauves en Duitse expressionisten aan de "expressiviteit" van kleur, vorm en lijn een eigen beperkte inhoud gaven. Want in feite is het mediterrane "luxe, calme et Volupte" bij de na-fauvistische Matisse of Dufy niet minder expressief, alleen voor andere, minder dramatische of gekwelde domeinen van ons bestaan, dezelfde waar ook Frits Klein thuis is. En is het woord droom vaak bij zijn werk gevallen, dan rekent men hem toch nooit bij de surrealisten, met hun bewust revolutionaire en schokkende stormloop tegen de gevestigde orde van rede en verstand. Zelfs de soms gesignaleerde verwantschap met postimpressionisten en intimisten zoals Vuillard en Bonnaard berust op nauwelijks meer dan enkele uiterlijke overeenkomsten.

Misschien heeft, bij alle verschillen, de vergelijking met Chagall, ondanks alle faam een buitenstaander als hij, meer zin. Want zoals de kleine Joodse schilder uit Witebsk naar Parijs kwam, alles in zich opnam van Fauves tot Kubisten, maar consequent weigerde zijn "verhaal" op te offeren aan een kunst van uitsluitend vormproblemen, om tot de grote dichter van de beeldende metafoor te worden, zo weigerde ook Frits Klein de mededeling, de "evocatie" los te laten ten bate van een puur formele problematiek. En zoals Chagall daartoe de rijke Chassidische wereld van zijn jeugd mee naar Parijs nam, zo nam Frits Klein iets mee uit zijn oosterse, Javaanse herkomst, ook al verliet hij zijn geboorteland al als jongen van zes jaar om zijn verdere jeugd tot zijn meerderjarigheid in Nederland door te brengen.

Wat Nederland aan sporen achterliet is gezien de aard van zijn werk waarschijnlijk gering. Maar wat wij aan oosterse kenmerken in Klein's schilderkunst menen terug te vinden is onder meer een lineaire melodieusheid, die door westerse ogen vaak ten onrechte als louter "decoratief" en "zoet" wordt ondergaan maar die samen met een sterk doorgevoerde onstoffelijkheid in de schilderwijze juist zeer sterk expressief drager  van een erotisch geladen sensualisme kan zijn: een erotische cultuur voorbij de breuk tussen lichaam en geest, waaraan dit westen nog steeds lijdt, tot in de meest nadrukkelijke sex-adoratie.

Klein's paradijselijke lyriek tussen zoveel kunst van opstand, disharmonie  en gekweldheid is de vereniging van het colorisme van deze eeuw en van Parijs met een levensgevoel, dat uit het Oosten stamt. Maar ook wie met ogen, geschoold  aan het non-figuratieve van abstracte lyriek tot tachisme, Klein's belangrijkste schilderijen zoals Bloemenwinkel en Jardin du Luxembourg benadert, ondergaat de verrukking van een grote kwaliteit, louter om de sublieme waarden van een colorisme, dat de volledigheid van een klankrijke compositorische eenheid weet te bereiken met de middelen van een opperste lichtheid, open en transparant. Zijn schilderkunst is er een, waaruit alle zwaarte, moeizaamheid en nadrukkelijke orde is weggespeeld ter wille van een onstoffelijke, vibrerende relatie tussen de elementen en détails, ook in de allerkleinste, en het geheel.

Toch is dit, wat naar menige maatstaf van vandaag genoeg zou zijn, bij Klein niet meer dan de uiterlijke gestalte, de zichtbare kwaliteit van een "taal" , die zoals de dichter doet maar met de puur beeldende middelen van een schilder en colorist ( ook zijn pastels en litho's zetten dit voort) in symbolische vormen leven op ons overdraagt, in een osmose van binnen en buiten, zo dat daarin het menselijk dualisme van een "stoffelijke buitenwereld van objecten" en een "onstoffelijke binnenwereld van betekenissen" is overwonnen. Bij alle abstracte kwaliteiten zijn daarom de motieven,  klein in aantal en telkens weer hernomen, meer dan de uiterlijke aanleidingen tot een goed schilderij. In heel hun ijle, immateriële verschijningsvorm - vaak nauwelijks meer dan een contour, opgenomen in de vibrerende compositie en zelden lijfelijk gemodelleerd - zijn zij van circuspaard tot doghond en van koorddanseres en clown tot vrouwen aan het strand of in de Jardin du Luxembourg dragers van het leven, van verlangen, drift, onrust, begeerte, wellust en droom.

Men heeft te uitsluitend van het paradijselijke gesproken. Want de grote honden, die vaag verlangende vrouwen op zonnige stranden begeleiden, zijn bijna dreigende personificaties van een zeer viriele natuurkracht en lopen toch keurig aan een halsband.

Een zelfde dubbelzinnige onderhuidse relatie verbindt ook bereden circuspaard en amazone, geen verhouding tussen dier en mens maar tussen mens en mens, als was het onderscheid opgeheven en tot de interne geworden van het mens-dier dat wij zijn, in heel de onoplosbare onrust, die zich bij Klein heel vaak, op een wijze die wij oosters meenden te mogen noemen, tot een zoet verlangen, een dierbare weemoed verfijnt. Bijna een idylle, maar met de trieste ondertoon die de mens juist in het geluk nooit verlaat.

"Je kleuren zijn verrukkelijk onreëel. Je ziet onze Jardin du Luxembourg in rijke roden en smaragdgroene, je ziet de hemelen vol rijke violetten, turquoisen en robijnen. Je parelmoeren zeeën, omhuld van sfeer, bleven onder zwoele koepels van wolkenloze hemelen vóór vochtige rose en gele stranden", zo schreef die andere Hollandse Parijzenaar Conrad Kickert hem nog in 1958. En ook George Boudaille huldigde zijn oeuvre enkele jaren later als een "voortdurende hymne aan de vreugde".

Het is op zichzelf al niet gering en met de moed van wie uit innerlijke bestemming niet anders kan, tegen alles in en zo koppig als een Mondriaan zo zijn eigen weg te gaan als de schilder van de vreugde en van het verlangen naar het paradijselijke harmonie van wellustig behagen, waarin mens en dier tezamen wonen in de koestering van een nimmer eindigende zuidelijke zomer. Tegen alles in? Maar waar kan Yves Klein - deze veel te vroeg gestorven beroemde zoon, dit gelukskind, bij zijn leven, van het "creatieve gebaar" - het Klein-blauw hebben gezien, waarmee hij de wereld aan zijn jonge voeten kreeg, anders dan op de schilderijen van zijn vader? Frits Klein is door blijven schilderen aan de volmaaktheid van zijn blauwe droom, ver van de wereld van het gebaar, nog steeds op een bescheiden atelier.

Het is een daad van eenvoudige rechtvaardigheid, dat juist de Rijksacademie van Beeldende Kunsten deze zuivere, zich nergens afficiërende kunstnaar bij zijn zeventigste verjaardag met een breder overzicht aan ons land laat zien, dat ten slotte ook zijn land en dat van zijn vele vrienden is.

Hans Redeker    

.