FRITS KLEIN 90 JAAR

  klein90jaar

 

 
Bijlage - pagina 8

Recentie uit dagblad "Trouw" - Woensdag 6 april 1988

 " Het is altijd zomer "

Frits Klein (90) exposeert aquarellen in Den Haag

door Dolf Welling

 
  DEN HAAG - In de heldere tuinzaal van Pulchri Studio in Den Haag zijn nu plekjes van het paradijs te zien 
 op in gouden  lijsten gevatte blaadjes. "De bloemenmarkt in Nice", zegt Frits Klein die mij rondleidt. 
 "Dit is in een tuin op Corsica en dat is de tuin van de Pauwhof in Wassenaar". 
 Het kon evengoed op de Canarische eilanden zijn. Kleins werkterrein is hetzelfde  als dat van de vlinders
 en de bijen. Hij puurt de heerlijkste harmonieën uit parken en tuinen. De keukenhof wordt zo even
 subtropisch als de gebieden rond de Middellandse Zee. De zonnigheid heeft deze kunstenaar in zich
 en kennelijk is dat heel gezond. Hij is negentig en hij straalt van levenslust.
 Ditmaal exposeert hij geen schilderijen. Hij heeft uit Parijs - waar hij woont - pastels meegebracht en
 aquarellen, sommige ter grootte van een prentbriefkaart. Ze zijn ontstaan in zomers van één tot
 twintig jaar geleden. In de wereld van Klein is het altijd zomer. "Als het grijs is ga ik niet naar buiten".
 Toevallig heeft gelijktijdig Sierk Schröder een tentoonstelling in Pulchri, een heel grote, drie zalen vol.
 In hun jonge jaren werkten beide schilders in Parijs, waar ze elkaar ontmoetten in de vrije academie 
 in de rue de la Grande Chamière.
 
Toen Frits Klein werd geboren - in Bandoeng, tien dagen nadat zijn vader was bezweken aan een 
tropische ziekte - zag het er naar uit dat hij het niet lang zou maken. "Maar na een jaar begon het 
beter te gaan. Ik werd een levendig kereltje. Mijn grootvader nam me in huis.
Hij had op Java een landgoed op 1200 meter hoogte, met een groot huis, een zwembad, pony's
en vele bedienden. In dat zwembad zwom op een ochtend een tijger". Nadat zijn grootvader het beest 
had doodgeschoten bleek dat het een wijfje was. De bedienden haalden haar jongen uit het bos.
Ze werden als een nest poezen in een grote mand gelegd en Frits speelde er mee, tot ze uit zichzelf
de benen namen, het bos in.
Op zijn zesde werd Frits met zijn twee oudere zusters naar Nederland gestuurd voor een "Europese" 
opleiding. Naar Indië heeft hij nooit terugverlangd.
Hij zou daar een hele tijd nodig hebben om als schilder vat te krijgen op het land.
Dat was zo in Spanje, in Italië, en in Noord - Afrika. "En ik ben bang dat ik daarna jarenlang in 
Indonesië zou willen blijven".
Hij hoort voorgoed thuis in Frankrijk, al heeft hij de Nederlandse nationaliteit behouden.
 
De bedoeling was dat hij na zijn schooljaren in Nederland de zaak zou voortzetten van zijn voogd, 
die hout importeerde uit Noorwegen. Maar hij wilde schilder worden. "Op school al maakte ik me 
onmogelijk door overal op te tekenen. Op de lagere school tekende ik Indianen die met een tomahawk
zwaaien. Op de HBS gaf ik in het schoolkrantje een mammoet het hoofd van een leraar. Het leek sprekend
en dat werd me kwalijk genomen". Bij een schoolvriend in Apeldoorn thuis, Chris Wegenrif, zag hij 
moderne kunst: werken van van Dongen, Kandinsky, Klee aardigheidjes die destijds weinig kosten.
Toen de werkster een pastel van Kandinsky had "schoon"gepoetst werd er om gelachen. "Breng de 
volgende keer maar een paar nieuwe mee uit Parijs", zei mevrouw Wegerif tegen haar man.
 Om na de HBS een beslissing over zijn toekomst uit te stellen, ging Frits in Rotterdam naar de 
 Handelsschool. "Voor de houthandel was dat natuurlijk helemaal niet nodig".
 Herstellende van een blessure die hij bij het hocheyen had opgelopen, had hij de moed om zijn moeder te 
 bekennen dat hij schilder wilde worden. Tot zijn opluchting was daar begrip voor, ook bij zijn voogd. 
 De academie in Amsterdam lokte hem niet; hij ging direct naar het centrum van de kunstwereld, Parijs.
 
Buitentijds
In 1921 vertrok hij. In de trein ontmoette hij bij toeval de moeder van Wegerif, die ook naar Parijs ging.
"In Parijs kwam mevrouw van Dongen haar afhalen en die nodigde me uit om de volgende namiddag in het 
Café du Dôme te komen. Daar bracht ze me in contact met schilders van allerlei nationaliteiten. 
  Een paar Fransen waren er ook bij".
 In dit gezelschap maakte hij in zijn argeloosheid wat de Fransen noemen een"gaffe", net als voor hem 
Vincent van Gogh, die op café-terrasjes met bewondering sprak over schilders die als "passé" golden.  
"Overdag  ontdekte ik zo'n beetje Parijs.
Ik ging ook naar het Musée du Luxembourg en zag daar voor het eerst een paar Claude Monets. 
Ik was zo geïmpressioneerd!
's Avonds vroegen ze me in de kring wat ik die dag had uitgevoerd. Ik zei dat ik helemaal in de war 
was van schilderijen van iemand die Claude Monet heet". De hele groep viel over hem heen. "Het was 
de tijd van het Cubisme; daar gingen ze helemaal in op". De eerste les: zorg dat je aansluiting vindt 
bij de nieuwste stroming, die heeft Klein nooit willen leren.
Hij zegt dat hij het wel even heeft geprobeerd, onder de indruk van André Lhote. Deze schilder was 
een randfiguur van het Cubisme en een geboren docent; een theoreticus wiens eigen werk volgens 
de criticus Frank Elgar vaak meer op een demonstratie van de theorie lijkt dan op een schilderij. 
Klein bezocht zijn academie."Ik heb veel van hem geleerd. Hij benaderde de kunst met zijn intellect.
Hij had een kleurentheorie, maar als hij schilderde vond hij op zijn palet altijd de lelijkste kleuren.
Onder de leerlingen waren veel Scandinaviëres. Aan het einde van de week zag je in de zaal wel 
twintig of dertig Lhotetjes staan. Mij lukte het nooit om er een te maken". Na de lyrische abstractie 
is bewondering voor Monet weer toegestaan. Geamuseerd vertelt Klein dat hij een halve eeuw na zijn 
Parijse debuut door een jonge schilder werd gewezen op diens recente ontdekking: Claude Monet.
 
Circus
Klein heeft jarenlang volop genoten van Parijs. Hij wandelde net als de schrijver Julien Green graag langs de  
nachtelijke Seine-oever. Naar de mooie Françaises waar hij zoveel over had gehoord, keek hij tevergeefs uit.
"Ik vind noordelijke meisjes mooier". Hij is toch met een Française getrouwd? "Ja, maar ook weer van haar
gescheiden".
Klein had en heeft veel vrienden. In Parijs was Conrad Kickert een soort mentor voor nieuwkomers. De wel- 
gestelde schilder André Dunoyer de Segonzac gaf rondjes in het café Des Deux Magots en nam dan de hele kring
mee voor een goed etentje. "Van hem heb ik veel geleerd over goede wijnen. Het was een enige vent. Als er een 
werk van hem geveild werd, kocht hij het zelf als hij vond dat er niet hoog genoeg werd geboden". 
Met Piet Mondriaan ging Klein wel eens naar een dancing. In zijn schilderijen zag hij niet veel.
Motieven vond Klein onder andere in het circus Médrano. Daar traden de gebroeders Fratellini op. Nadat hij een 
week met zijn schetsboekje in de voorstelling had gezeten, hield een van de clowns hem aan met de mededeling
dat hij voortaan zonder toegangskaartje door de achteringang naar binnen mocht. "Toen heb ik daar maandenlang 
getekend. Die ene met dat witte gezicht kocht ook nog een portret dat ik van hem  had gemaakt".
Later ging Kleins voorkeur meer uit naar de natuur. In Zuid-Frankrijk, waar hij een atelier inrichtte in Cagnes sur Mer
behoorden Nicolas de Stael en Wim Sinemus tot zijn kennissen.
Hij ontmoette ook Hans Hartung die met een Spaanse beeldhouwster was getrouwd.
In het begin van de tweede wereldoorlog werd  in Cagnes het voedsel schaars. Zonder reisvergunning ging Klein 
per trein naar Parijs. Doordat er een munitietrein achteraan kwam waar haast bij was, namen de Duitsers niet de
tijd om de papieren te controleren. Na de bevrijding heeft de schilder jarenlang kunnen leven van de aankopen
door één Nederlandse kunsthandelaar. "Ik hoefde alleen maar te schilderen".
 
Yves
Intussen wilde zijn zoon Yves, die later als kunstenaar wereldberoemd werd, naar Japan om een hoge judograad
te halen. "We hebben het reisgeld voor elkaar gekregen en ik heb hem schilderijen meegegeven die ik in Parijs
toch niet kwijt kon. Ook gaf ik hem het adres van een Japanse schilder die in Parijs met een Française was getrouwd.
Hij was voor de oorlog terug gegaan naar Tokio. Misschien heb je daar een leuke relatie aan zei ik. Het is in ieder
geval een keurige vent, met een schat van een vrouw. Yves kon de eerste maanden in Japan leven van die schilderijen.
Hij verkocht ze direct. Die wist alle mensen te overdonderen. Hij is ook naar die schilder toe gegaan en dat bleek
een neefje te zijn van de mikado (keizer). Dat had die Japanner me nooit verteld.Dus Yves kwam meteen in de
hoogste kringen; alle deuren gingen open voor die jongen. Toen hij terug kwam, had hij als judoka de vierde dan".
"Yves hield zijn eerste expositie bij een dame die een villa had even buiten Parijs. Af en toe mocht daar een schilder
die nog geen galerie had exposeren, in de rez-de-chausee. Yves hing er éénkleurige doekjes op: blauw, roze, geel,
ik noem maar iets. Ik zei, Yves, als ik dat zo zie - het doet me een beetje aan Mondriaan  denken, maar dan
verdeeld over een aantal schilderijtjes.
Papa, zei hij, je doet heel goed wat je doet, maar hier begrijp je niks van. We waren beste vrinden; het was een
leuke jongen."
"In een galerietje in de rue Bonaparte hield hij een tentoonstelling met niks. "Le Vide" heette dat. Er stond een
lange rij op straat. Je moest wel twee uur wachten voordat je door de galerie mocht lopen om naar de lege wanden
te kijken en snel weer plaats te maken voor anderen. Onbegrijpelijk".
"Hij had nooit veel tijd om te schilderen. Als hij blauwe monochromen ging exposeren dan moesten die snel even
worden gemaakt. Al zijn vrindjes moesten helpen. Ik deed het in mijn eigen atelier en het ging bij mij niet zo vlug,
want ik gebruikte niet zo'n rollertje". Hier en daar hangt dus een Yves met degelijk penseelwerk van Frits. Yves
is op zijn vierendertigste gestorven. Zijn weduwe, Rotraut Uecker, is hertrouwd en woont nu in de Verenigde
Staten. Ze krijgt daar fancy-prijzen voor die schilderijen. Zoiets moet voor miljoenen verkocht worden, anders
wil niemand het hebben".
De dood van Yves op 6 juni 1962 kwam als een totale verrassing. "Ik kwam hem die ochtend goeiendag zeggen,
want ik zou naar Spanje gaan. Het was om een uur of negen en toen lag hij nog in bed. Zijn vrouw bracht z'n
ontbijt en toen hebben we een beetje gekletst. Opeens keek hij op zijn horloge en zei: Verdorie, ik moet weg. Hij
moest om twaalf uur precies aan de overkant zijn.
Hij had een rendez-vous met een kunsthandelaar over een contract, voor ik weet niet hoeveel."
"Toen hij thuis kwam had hij gekregen wat hij gevraagd had, maar hij was doodmoe van die bespreking. Iemand
die hem bij de deur ontmoette wilde hem iets vragen, maar hij zei: Och, een andere keer, ik ben te moe. Ik ga slapen.
En toen had hij diezelfde middag dat ongeluk; ik weet niet wat hij heeft gehad.Dus toen werd ik om vier uur opgebeld
dat hij gestorven was. Die jongen heeft zich oververmoeid. Dan doe je niks en per slot van rekening is het
vermoeiender dan schilderen".
 
Koffie
Frits werkt tegenwoordig 's morgens niet meer. Hij gaat wel een straatje om en drinkt dan een koffie aan de zinc.
"Na de lunch zet ik mijn pastelblok op tafel. De kleuren heb ik keurig naast elkaar, niet zoals sommigen bij wie
alles los door elkaar ligt, zodat het allemaal grijs wordt".
Hij heeft nu ook weer absorberend papier gevonden voor zijn aquarellen. Op de tentoonstelling hangen enkele
vroegere op gewoon papier en een aantal nieuwe op papier dat de kleuren gemakkelijker in elkaar over laat lopen.
Het verschil is zichtbaar, maar overigens is het verstrijken van de tijd aan dit werk niet af te lezen: de bloesems van
elke lente zijn even fris.